Endeavours to Mend:"


perspectives on British Quaker work in the world today" (2006),

onder redactie van Brian Phillips en John Lampen.

Over het Quaker Concern


Van Quaker Books kregen we ter bespreking het boekje "Endeavours to Mend: perspectives on British Quaker work in the world today" (2006), onder redactie van Brian Phillips en John Lampen.

Dit boekje biedt veel verschillende onderwerpen, met als gemeenschappelijke noemer dat ze voortkomen uit projecten vanuit Britain Yearly Meeting. Het inleidende hoofdstuk schetst de noodzaak van vredeswerk wereldwijd, en spreekt de hoop uit dat dit boekje een inspiratie zal zijn voor velen. De onderwerpen die het boekje behandelt zijn achtereenvolgens: de profeet en de verzoener als twee tegengestelde posities in de Quakergeschiedenis; het Quaker Concern; Quaker-steun aan asielzoekers in Leicester van 2000-2005; respons op het conflict in de noordelijke Kaukasus; kindsoldaten en internationaal recht; "speaking truth" tegen internationale monetaire instellingen; geloof en activisme; en de epiloog biedt tenslotte vijf bepalende kenmerken van "Quaker Global Witness" in de 21e eeuw. Deze onderwerpen zijn dermate uiteenlopend dat elke lezer wel iets interessants zal aantreffen in dit boekje.

Wat mij betreft was het derde hoofdstuk het meest aansprekend, geschreven door Diana en John Lampen en getiteld "Het Quaker Concern." Een concern is en blijft een vrij mysterieus gebeuren, en zoals de Lampens ook al zeggen in hun woord vooraf, is dit gebeuren niet voorbehouden aan Quakers: in de Bijbel en in de geschiedenis van vele godsdiensten is een concern, hoezeer ook een Quakerterm, toch zeer algemeen. Misschien is het een zelfs nog algemener fenomeen, schrijven ze, want het bestaat misschien ook evengoed buiten de religieuze contekst, bijvoorbeeld in de vele vredesbewegingen.

Hoe komt een concern tot stand? We kunnen twee manieren onderscheiden. De eerste gaat als volgt: je raakt in de greep van een probleem en ziet geen oplossing. Bezorgdheid, compassie en hopeloosheid zijn de gevoelens die rondmalen in het hoofd totdat plotseling, zonder bewuste inspanning, de tredmolen stopt en een eerste stap op weg naar de oplossing zich voordoet, gepaard gaand met een gevoel van rust en zekerheid. Een voorbeeld hiervan vinden we in het levensverhaal van de Amerikaan John Woolman. Hij moest voor zijn baas de verkoopacte van een slaaf opmaken en deed dat ook, maar dit bracht hem zodanig van zijn stuk dat hij bij een soortgelijk verzoek, een paar maanden later, weigerde, en daarmee de eerste daad stelde van een levenslang concern. Zo gebeurt het ook vaak bij hedendaagse Quakers.

Bij de tweede manier komt de aanloop naar het concern totaal onverwacht, als een donderslag bij heldere hemel. Soms is er een onbestemd gevoel van onrust, soms ook niet, totdat plotseling duidelijk wordt dat er gehandeld dient te worden, vaak op een manier die je niet zelf bedacht zou hebben. Zo gebeurde dit met een 18-jarige Colombiaanse student in geofysica, Jaime Jaramillo. Hij zag een verkeersongeluk waarin een straatkind werd aangereden en op dat moment ontdekte hij wat zijn levenstaak was: het helpen van straatkinderen. Hij nam een goedbetaalde baan om daarmee zijn levenwerk te kunnen financieren.

Er zijn veel situaties die de aanzet vormen voor een concern. Het kan een toevallige ontmoeting zijn, of een samenloop van omstandigheden die je tot actie aanzetten. Soms hoor je een stem of krijg je een droom. James Naylor schreef in 1652 dat hij aan het ploegen was, in meditatie verzonken, toen hij een stem hoorde die er bij hem op aandrong om het huis van zijn vader te verlaten. Hij werd overweldigd door vreugde toen hij zo, voor het eerst, de stem van God hoorde. Evenzo met Paulus van Tarsus, die droomde over een man in een Grieks gewaad, die hem aanspoorde om naar Macedonië te komen en hulp te brengen (Handelingen 16:9). Soms komt er een boodschap tot ons die eigenlijk voor een ander bestemd was. Toen Diana Lampen naar Ierland kwam om zich bij haar echtgenoot John te voegen, was ze lange tijd onzeker over haar taak in die gemeenschap. Ze werd uitgenodigd voor een katholieke gebedsgroep, en tijdens die bijeenkomst zei iemand: "ik heb een boodschap voor een onbekend iemand. God zegt tegen je: Maak je geen zorgen over je taak. Ik zal je een voor een de mensen sturen voor wie je kunt zorgen."

Een concern kan klein beginnen. Toen Stephen Gillet, een Amerikaanse bezoekende Vriend, Elizabeth Frye vroeg om de Newgate gevangenis te bezoeken in 1813, begon ze heel simpel met armenvol babykleertjes uit te delen en met gesprekken met enkele vrouwelijke gevangenen. Pas vier jaar later keerde ze terug om een begin te maken met de hervorming van het gevangeniswezen, wat uiteindelijk haar levenswerk zou worden. De Engelse Quaker Will Warren was 65 jaar toen hij in 1971 het gevoel kreeg dat hij naar het meest gewelddadige gebied in Noord-Ierland moest verhuizen. Hij zegt: "De Heilige Geest geeft je niet zo heel veel instructies…Ik wist alleen dat ik gezonden werd om te luisteren, om goed te luisteren naar mensen van beide kanten, om dan, misschien, op een dag, mee te maken dat ze naar elkaar zouden gaan luisteren." Warrens werk in Londonderry groeide uit tot een belangrijke en invloedrijke taak door veel onvoorziene gebeurtenissen en toevallige ontmoetingen en door zijn talent voor het aanknopen van vriendschappen. Uiteindelijk werd hij een vertrouwenspersoon voor geestelijken, politiemensen en politici van beide kanten.

Het is kenmerkend dat een concern vaak van start gaat met onverwachte gebeurtenissen en ontmoetingen. Goethe's uitspraak hierover, gestaafd door de praktijk van veel Quakerconcerns, is: "Totdat je je helemaal hebt gegeven aan je doel is er veel aarzeling, de neiging te stoppen, voortdurende doelloosheid, en een algemeen gebrek aan intiatief en voortgang. Maar op het moment dat je je geheel en al aan je doel wijdt, komt de Voorzienigheid in actie en allerlei hulp komt dan op je pad, wat anders nooit zou zijn gebeurd. Onvoorziene gebeurtenissen en ontmoetingen, allerlei aanbiedingen van hulp, ook in materieel opzicht, wat je allemaal in je stoutste dromen niet verwacht had, worden je deel."

De Quaker-geschiedenis heeft veel voorbeelden van concerns die anders liepen dan verwacht mocht worden en dit maakt duidelijk dat onze begrippen van "succes" en "mislukking" niet opgaan bij concerns. George Fox' dagboek biedt een aantal van deze kortstondige concerns, die ogenschijnlijk op niets uitliepen, en een voorbeeld is ook John Woolmans concern om naar de West-Indische eilanden te reizen, om daar de slavernij aan de kaak te stellen. Hij regelde alle benodigde formulieren, maar kreeg tijdens de meetings geen helderheid over zijn plannen. Toen hij werd uitgenodigd om eens alvast kennis te maken met de kapitein van Quakerschip dat vanaf Philadelphia zou vertrekken, en waar plaats voor hem was, kreeg hij ook geen duidelijkheid over deze uitnodiging. Woolman bracht twee dagen door op zijn huurkamer, heen en weer geslingerd in een soort van spirituele storm, zoals hij in zijn aantekeningen noteerde, totdat hij tot de overtuiging kwam dat hij zijn Hemelse Vader het beste zou gehoorzamen door thuiswaarts te keren.

Zo zijn er veel voorbeelden van concerns die niet tot duidelijke resultaten kwamen. George Lakey, Quaker en vredesactivist, ging naar Thailand om daar les te geven aan Burmese vluchtelingen. Hij had veel problemen van uiteenlopende aard: met het klimaat, de onwilligheid van de studenten, de culturele verschillen. Hij voelde zich boos en gefrustreerd, tot hij tot het inzicht kwam dat hij teveel vasthield aan zijn idee van succes; toen hij dat eenmaal losliet, kwam hij tot rust en kon hij daarna zijn werk beter doen.

In de begintijd van de Quakers was het genoeg dat men een goddelijke roeping voelde; dan was er geen menselijke goedkeuring meer nodig voor een concern. Een voorbeeld daarvan is het verhaal van de Engelse Mary Fisher, een dienstmeisje dat Quaker werd en daarvoor streng werd gestraft. William Sewel schrijft in 1722 hoe zij een concern kreeg en geen rust kende tot zij hiervoor actie ondernam: dit hield in dat zij persoonlijk naar de Turkse keizer afreisde om hem duidelijk te maken hoezeer hij op de verkeerde weg was met zijn godsdienst, en hem de juiste weg van haar eigen godsdienst te tonen. Er bestond toen geen formele procedure om concerns te toetsen, en de groep op Swarthmore Hall gaf Mary Fisher dus wat geld, en daarop ging ze in 1657 met vier reisgezellen op pad. Een voor een verloor zij haar reisgezelschap, en zij schijnt zo'n 750 km te voet te hebben afgelegd in Turkije, tot ze de keizerlijke legerbasis bereikte in Edirne en, wonder boven wonder, een audiëntie ontving met de bruuske Ottomaanse sultan. Zij bracht haar boodschap over en keerde daarop veilig thuiswaarts.

Pas toen James Naylor en John Perrot te ver gingen met hun individuele concerns, en daarmee de eenheid en de veiligheid van alle Quakers bedreigden, kwam het inzicht dat je je kunt vergissen in een concern, en dat je "je Gids voorbij kunt rennen." In 1662 kwam er daarom een soort controlesysteem voor concerns, dat door de eeuwen heen is blijven bestaan en in Quaker Faith and Practice vermeld staat. Over het algemeen behoren concerns te worden voorgelegd aan een maandvergadering, die, na erkenning dat dit om een "religieus valide" concern gaat, kan besluiten om het concern daarop voor te leggen aan een grotere en daarvoor bekwaam geachte groep Vrienden. De maandvergadering kan uiteindelijk besluiten om dit concern aan te nemen als haar eigen concern, of anders, om financiële, spirituele of praktische hulp te verlenen. Deze traditionele procedure staat tegenwoordig in Engeland sterk ter discussie. Ook vroeger werd hiertegen al gewaarschuwd, vanuit het idee dat een individueel concern niet in de kiem gesmoord, maar juist gesteund moet worden, omdat nieuwe wegen en nieuwe oplossingen vaak door enkelingen worden gevonden, en niet door vergaderingen of kerkgemeenschappen. Omstreeks 1900 werd besloten dat het de taak van de meeting is om uitwassen te signaleren, maar niet om concerns af of goed te keuren. Tot die tijd kregen Vrienden meestal automatisch goedkeuring voor een concern dat te maken had met sociaal hulpwerk in ziekenhuizen en gevangenissen, maar het kon gebeuren dat een andere soort activiteit werd verboden, omdat dit concern niet als zodanig werd erkend. Dat was het geval bijvoorbeeld met het toch zo onschuldige concern om zondagschoolmateriaal samen te stellen voor de kinderen. Er werd besloten dat de kinderen dit materiaal niet moesten krijgen maar geoefend moesten worden in het stilzitten en het wachten op de aanraking met de Heilige Geest. Deze beslissingen waren bijna helemaal in de handen van bedaarde mensen van gevorderde leeftijd, en zoals een tijdgenoot schreef: onderdrukking van initiatieven, in plaats van aanmoediging, was toen aan de orde van de dag.

In de twintigste eeuw kon je als Quaker vier manieren volgen om een concern in actie om te zetten. Ten eerste kon je de traditionele procedure volgen, in de hoop dat het concern als Quakerwerk beschouwd zou worden en gesteund zou worden, of zelfs als eigen concern aanvaard zou worden door de plaatselijke maandvergadering. Ten tweede kon je een"zelf-benoemde" groep opzetten van Vrienden die samen dit concern steunden (dit heet nu een "Listed Informal Group"). Ten derde kon je een niet-religieuze organisatie opzetten of je bij een dergelijke organisatie voegen, als manier om je concern gestalte te geven. Oxfam en Amnesty International zijn voorbeelden van organisaties die in het begin door Vrienden werden aangezwengeld. De vierde optie was om gewoon maar te beginnen, in het vertrouwen dat het concern oprecht was en vaak bracht dit de ervaring dat hulp en steun zou volgen (zie Goethe's uitspraak).

Is het een slechte zaak om je bij een niet-Quakerse of niet-religieuze groep aan te sluiten om je concern te volgen? Nee, uitdrukkelijk niet. Het kan juist een misvatting of valkuil zijn om aan te nemen dat Quakers uniek zijn in hun activiteiten. Zelfs van de Quakerhulp die na de Tweede Wereldoorlog werd gegeven, en waarvoor de Nobel Vredesprijs werd toegekend, moet worden gezegd dat deze in geen geval uniek was. Charles Carter schrijft in 1952, naar aanleiding van het boek over Quakerhulp 1940-1948, dat het verhaal over de unieke prestaties van de quakers in deze jaren tot een mythe uitgegroeid is, waar we ons eigenlijk over moeten schamen, omdat er op een veel grotere schaal, door velen dezelfde hulp geboden werd, maar meer in het verborgene. Deze hulp door gewone mensen was vaak even doeltreffend, of zelfs praktischer, en werd simpelweg als plicht of naastenhulp beschouwd. Laten wij ons toch niet op de borst kloppen op die periode, schrijft Carter.

Er is wel iets te zeggen voor het traditionele proces van het voorleggen van een concern aan de meeting. Immers, de vitaliteit van ons Genootschap hangt (mede) af van de erkenning en het same in werking zetten van nieuwe, door God gegeven concerns. Zonder dit zou ons Quakerwerk plichtmatig en routineus worden, en aan inspiratie verliezen. En bovendien is dit controlesysteem bij sommige ingrijpende en vergaande concerns een goede zaak, zoals de voorbeelden uit de geschiedenis ook laten zien.

Vaak is een concern de uitkomst van lang nadenken, maar het kan gebeuren dat blijkt, wanneer het concern aan de meeting wordt voorgelegd dat het voornemen, hoe goed uitgedacht ook, toch geen "concern" genoemd kan worden. Het Engelse Quaker Peace and Service, een onderdeel van Britain Yearly Meeting, heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw vaak uitspraken gedaan over concerns, en veel initiatieven financieel ondersteund, waarbij het vaak ging om kleine bedragen, zoals het betalen van vliegtickets. Toen zij opgingen in een groter geheel, het Quaker Peace and Social Witness, werd besloten om niet meer allerlei nieuwe en kleine concerns te steunen, maar alleen langlopende projecten, waarbij de waarborg van continuiteit van belang was. Ook internationaal is de tijd van de enthousiaste enkeling voorbij; NGO's (non-governmental organisations) stellen ook hoge eisen aan de haalbaarheid en doelstellingen van projecten die aan hen worden voorgelegd. Daarbij worden allerlei regels opgelegd aan instellingen en organisaties die internationaal werk willen verrichten, en hoge, wettelijke eisen gesteld aan een heldere en duidelijk omschreven projectbeschrijving. We kunnen niet meer zoals Mary Fisher simpelweg op pad gaan, maar moeten gedegen voorbereidend werk verrichten en ons gesteund weten door een erkende organisatie. Dit gebrek aan spontaniteit wordt vaak betreurd, maar in werkelijkheid is er nog veel plaats en ruimte voor het spontane "werk van de Geest" in de alledaagse werkzaamheden binnen een project of organisatie. In de internationale hulpverlening komt men dagelijks in allerlei onvoorziene en onverwachte situaties, en dan is spontaan handelen vanuit de ingeving van het moment van groter belang dan het toepassen van een richtlijn of beleidsplan.

Toch moeten individuele en kleinschalige concerns niet onbekend blijven binnen het Genootschap. In Amerika gaat men steeds meer over tot het voorleggen van een individueel concern aan een kleine groep Vrienden, een "clearness meeting." Zij houden dan een bijeenkomst die lijkt op "worship sharing" en waarbij helderheid wordt gezocht over het concern. Uiteraard kan daarna dan worden overlegd of en hoe er steun wordt gegeven aan dit concern, waarbij meetings vaak als geheel het concern besluiten te steunen. Ook is het mogelijk dat een speciaal persoon als iemands spirituele helper of reisgezel wordt aangewezen (soms wordt deze de "elder" van de betrokken Vriend genoemd). Zo worden oude procedures nu weer in ere hersteld en blijken ze vandaag de dag weer van nut te zijn.

Getuigenis geven kan op vele manieren: soms lijkt het concern niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat, maar ook zo'n druppel kan in feite een zaadje zijn, dat in de aarde valt en later vrucht voortbrengt, misschien pas na vele jaren. Ons vastgeroeste idee van een geslaagde onderneming of een gelukt concern kan ons in de weg staan. Onze verantwoordelijkheid is het handelen, niet het bereiken van een resultaat.

Vertaling: Irene Visser
Home
Gewijzigd: 7 april 2008